Eglantier

Antwerpsesteenweg 62
Waar zich nu de moderne hoogbouw van Residentie Eglantier bevindt, met het Sociaal Huis  (OCMW) en kinderdagverblijf ’t Brugske op het gelijkvloers, was vroeger Hof Eglantier (ook Villa Eglantiers of Château Les Eglantiers).

Het perceel waarop de Eglantier zich bevindt, was vroeger gekend als Kosterijland. Het behoorde ooit toe aan kasteel Altena.
In 1879 kreeg Laurent De Wandelaer een vergunning om er een woning te bouwen. Hij was gepensioneerd ‘officier van administratie’ te Kontich.
Op onderstaande foto van de ‘Antwerpsche Steenweg’ in Contich zie je het witte gebouw, schuin tegenover de conciergewoning in het Altenapark.

eglantier_vroeger

 

In 1886 was Georges-Antoon Van der Heyden de nieuwe eigenaar. Hij vestigde zich er met zijn echtgenote Joanna-Henrica-Maria Bruls en hun gezin. Zij lieten hun ‘Hofke Van der Heyden’ vergroten.

eglantier-tuin
In 1889 lieten ze ook een brugje aanleggen over de Bautersemstraat om zo vanuit hun tuin toegang te krijgen tot het achter de Bautersemstraat gelegen hofperceel. Het brugje gaf een typisch uitzicht aan het rustige Bautersemstraatje. Vele Kontichse kinderen gingen er naar de holklinkende echo van hun stem luisteren en voor de tieners was het daar een ideaal romantisch ontmoetingsplaatsje… Het brugje verdween in 1980. De naam van het dan opgerichte kinderdagverblijf «‘t Brugske» herinnert hier nog aan.
De heer Van der Heyden zou op zijn eigendom een melkerij hebben geleid. De specialiteit van de firma bestond in room- en huishoudboter, artikelen die hij zowel in ‘t groot als in ‘t klein verkocht.
Hij moet een opvallende haarsnit hebben gehad, want rond 1900 zei de volksmond in Kontich “hij draagt zijn ‘strepke’ rechts, gelijk meneer Van der Heyden“.

Verspreeuwen Petrus AdolpheIn 1898 werd Adolphe Verspreeuwen de nieuwe eigenaar. Hij was houthandelaar en voorzitter van de rechtbank van koophandel en senator voor de provincie Antwerpen. Hij is geboren in Antwerpen op 26 april 1846 en overleed er aan een hartziekte op 5 oktober 1908. Ook hij liet de nodige verbouwingen en vergrotingen uitvoeren aan zijn ‘Château Verspreeuwen’.

Eglantier voorgevel vergroting
Plan van de voorgevel

Wat later kreeg het domein de naam «Les Eglantiers» – een naam die later weerspiegeld werd in de roosachtige heesters of bottelrozen die oudere Kontichnaars er nog hebben weten groeien in de siertuin.

Verspreeuwen speelde ook een belangrijke rol voor de Sint-Ceciliaharmonie van Kontich. Een eerste maal verscheen A. Verspreeuwen op een repetitie van de harmonie, toen Peter Benoit als erevoorzitter daar op bezoek was; dat was op 4 juni 1899. Op 18 juli spreekt het archief van het eerste concerto dat er in de tuin van de villa gegeven werd. Hiervan getuige deze foto die bij toeval op een rommelmarkt ontdekt werd (met dank aan Wim Pas om hem met ons te delen).

Fête du Waterzooi

18 juli 1899 – Fête de waterzooi – Château Verspreeuwen – Contich

De maand daarop was Verspreeuwen reeds voorzitter van de zgn. ‘Weldadigheidsafdeling’. Hij was de grote mecenas geworden van de harmonie en haar muziekschool – hij schonk jaarlijks de toen belangrijke som van 300 frank. Op het Ceciliafeest van de harmonie in november 1899, wordt bevestigd dat de muziekvereniging dank zij de financiële steun van Verspreeuwen kan blijven bestaan. Op 29 mei 1900 werd het bestuur van de harmonie op het hof van Verspreeuwen op champagne vergast en zorgde de muziekmaatschappij voor een serenade: de bewoner van “Les Eglantiers” was toen namelijk tot liberaal senator verkozen. Voortaan komt de naam Verspreeuwen geregeld in de harmoniekroniek voor, en na de dood van erevoorzitter Benoit in 1901 aanvaardde de senator het erevoorzitterschap van de St.Cecilia. Samen met andere verenigingen uit Antwerpen, waarvan hij ook erevoorzitter was, nodigde de bewoner van “Les Eglantiers” de harmonie en haar bestuur in die jaren herhaaldelijk op zijn hof en in de prachtige tuinen uit. Er werd gemusiceerd, gedronken en getoost, en muziekbestuurder Clymans bood zelfs een mars “Lentegroet” aan de milde Eglantierbewoner aan. In september 1902 zorgde Verspreeuwen ervoor dat de Burgerwacht of Garde Civique‚ waarvan zijn zoon, Adolf Verspreeuwen jr. “aide de camo” of adjudant was, een uitstap naar Kontich ondernam en daar op passende wijze, gastvrij en muzikaal onthaald werd. ln de komende paar jaren waren de serenades op het prachtige buitengoed schering en inslag, o.m. in mei toen Verspreeuwen tot officier in de Leopoldsorde benoemd was. Voor de St.-Cecilia en ook voor het buitenverblijf was het een zware slag toen op 5 oktober 1908 Ad. Verspreeuwen na een langdurige hartziekte overleed. Op de haast Koninklijke begrafenis te Antwerpen was Kontich sterk vertegenwoordigd, o.m. door de rouwende muziekvereniging, geleid door vrederechter Bouwens. Aan de noodlijdenden van Kontich werd toen een bedrag van 1000 frank uitgedeeld.

DOOD VAN SENATOR ADOLF VERSPREEUWEN
(Bron: Het Volksbelang – 10 oktober 1908)
Eene der sympathiekste figuren van het Antwerpsch liberalisme is deze week ten gevolge eener hartziekte overleden: senator Adolf Verspreeuwen.
Als ronde Vlaming en democraat, als vriend en aanmoediger der politieke volkskringen, genoot hij te Antwerpen en daarbuiten een welverdiende populariteit. Hij was zoon van eene der oudste overtuigde Vlaamschgezinden, professor Verspreeuwen, hij was en bleef een rondborstige Vlaamsche jongen. Hij had echter nooit deel aan de politieke strijd der Vlaamschgezinden. Toen de afgevaardigden van den Liberal Vlaamschen Bond hem, in 1900, eene candidatuur voor de Senaat kwamen aanbieden, aanvaardde hij ze en bloofde de grondbeginselen van den Bond uit al zijn kracht te zullen verdedigen. Zijn woord was een zegel. Hij hield het in ruime mate. Overal waar hij optreden kon, in den Senaat, in den Liberalen Vlaamschen Bond, in het politiek leven van Antwerpen, was hij een Vlaming uit den heele. Hij ontzag geen opoffering om de hem opgedragen taak ten volle vervullen. Hij was de eerste afgevaardigde die de Liberale Vlaamsche Bond in den Senaat bezat; hij moge tot voorbeeld dienen aan al degenen Welke ze nog hebben zal.
Onder de merkwaardige redevoeringen, welke de heer Verspreeuwen in den Senaat uitsprak, treffen wij er aan over de uitbreiding der Antwerpsche haven en kaaien, het verplichtend onderwijs, den algemeenen dienstplicht, de hervorming van ons belastingstelsel, de verzekering der werklieden tegen arbeidsongevallen, de loonsverhooging der geringe Staatsbedienden, de rechten onzer moedertaal, enz. In zijn openbaar leven straalde immer een beredeneerde democratische geest door. … De gemeente Contich, waar de overledene zijn buitenverblijf hield, verliest in hem een mild ondersteuner van de liberale werken en liefdadige instellingen.

Het moet nadien veel stiller geworden zijn op en rond de villa Les Eglantiers. De weduwe en erfgenamen Verspreeuwen bleven er hoogstwaarschijnlijk eigenaar van tot 1919.
In 1914 sprak de krant nog van “het hof van Mevr. Verspreeuwen”:
krantenknipsel 1914

Of ze er nog vaak verbleef in die periode van en rond de 1ste wereldoorlog, weten we niet; de telling van 1919-1920 vermeldt in elk geval geen bewoners op het goed. Verondersteld mag worden dat het eigendom in 1914-18 soldaten van diverse pluimage zal geherbergd hebben.

eglantier-achtergevel
Gezicht op tuin en achterzijde van het buitenverblijf

Op 18 augustus en 1 september 1919 kwam “Villa Les Eglantiers” in de notariszaal te Antwerpen in publieke veiling, door het ambt van notarissen E. Lefebre en J. Mertens. Uit de beschrijving vernemen we dat het goed toen 1 ha 65 a 61 ca mat, en bestond uit villagebouw, garage, stal, remise, huizen van huisbewaarder en hovenier. serres, lust- en moestuinen, schietbaan, tennis en bouwgronden, die in 12 kopen werden gelegd. Erenotaris Jan-Fr.-Xav. Verbeeck kocht het kasteel met hovingen in. Een plan dat toen werd getekend, toont ons het kasteel, de twee tuinen met hun romantische aanleg van wegen, parkjes en bomen, en achter in de moestuin een vijver. Het brugje is er duidelijk zichtbaar. Van 1920 tot 1923 huurde ene A. Oeyen, agent in hout, met zijn familie het buitengoed. Van 1923 af tot 1931 staat er alleen een portiersfamilie, bestaande uit de gezusters Brans, als bewoonster opgetekend. En tussen 1931 en 1933 exploiteerde ene J.H. Kersten, een Tongeraar‚ die uit Luik was ingeweken, een restaurant met dancing in de Eglantier. Weer klonk er dus muziek, als in de jaren van A. Verspreeuwen. We mogen aannemen dat erenotaris Verbeeck aanvankelijk nog steeds de eigenaar-verhuurder was.

Eglantier-kaartje
Het adres was toen nog Antwerpsesteenweg 52. Intussen is dat huisnummer 62 geworden (Sociaal Huis en kinderdagverblijf). Residentie Eglantier heeft haar ingang nu langs de Bautersemstraat (nr. 47).

Op 3 juli 1931 verkocht Verbeeck het eigendom aan zekere juffrouw Ida-Coralìa-Aline Boussé, handelaarster te Antwerpen.
In 1987 stuurde de kleinzoon van die voormalige bewoonster – Mme Boussé (1931-1933 – zie gedetailleerde geschiedenis onderaan deze pagina) – onderstaande brief naar Mevr. Budts in Kontich:
Eglantier-brief

Hij voegde er ook tal van foto’s van het kasteel aan toe:
Eglantier-wintertuin2 Eglantier-zuidfacade Eglantier-bar Eglantier-biljartzaal Eglantier-entree-dhonneur Eglantier-facade Eglantier-groot-salon Eglantier-renaissance-eetkamer Eglantier-tennis Eglantier-wintertuin

Niet lang daarna echter, op 30 april 1933, werd de Eglantier wegens schuldvordering in beslag genomen en andermaal verkocht. De verwervers waren de “Parochiale Werken der Kontich”, die het eigendom aankochten voor de toen nog “feitelijke” vereniging van de Gasthuiszusters-Augustìnessen van Boom. Nog in 1933 zien we de eerste ouden van dagen hun intrek nemen in het pand Eglantìer, dat voortaan “Rustoord Sint-Anna” zal heten, en door de genoemde Gasthuiszusters als home zal worden beheerd. De zusters bleven aanvankelijk te Boom gedomicilieerd, en pas in 1942 zien we de eerste religieuze in ons bevolkingsregister verschijnen. ln 1948 werd zuster Catharina de Wachter als overste van Boom naar Kontich overgeschreven.

St-Anna-Rustoord St-Anna-Rustoord2 St-anna-veranda

verbouwing

De achtergevel vóór en na de verbouwing. Van Villa Eglantiers tot St.Annarusthuis. foto: Informatieblad Kontich

Ondertussen is de feitelijke vereniging van de Gasthuiszusters van Boom op 30 mei 1945 voor notaris K. Tobback te Boom als V.Z.W. gesticht, wat haar in staat stelt om van de “Parochiale Werken” het rusthuis over te nemen. Die zgn. “schenking”, zoals de akte het noemt, was in feite een aankoop en gebeurde op 7 augustus 1945, voor dezelfde notaris Tobback.

Een paar tientallen jaren zullen de zusters het gebouw als ouderlingentehuis leiden, tot het beheer en de uitbouw van hun ziekenhuis te Reet hun werk te Kontich te zwaar maakt. Op 24 april 1973 koopt het gemeentebestuur van Kontich van de Gasthuiszusters het gebouw met aanhorigheden en siertuin, groot 8.129 m², voor een bedrag van 9 miljoen “met het oog op het inrichten van een medicosociaal centrum” van de gemeente. Weer gaat het eigendom “Eglantier” een nieuwe, andere toekomst tegemoet.

Aanvankelijk bracht het bestuur in het gebouw de stempelcontrole, een jeugdatelier enz. onder. In 1976 werd er tussen de Gemeente en de Bouwpromotor “N.V. Eglantier” een akkoord ondertekend, waarbij de eerstgenoemde het recht van opstal afstond voor het bouwen van een “seniorie”. De bouwpromotor stond daarbij de gelijkvloerse verdieping aan de Gemeente af. De afbraak van de oude gebouwen greep plaats in 1976 en nog in datzelfde jaar werd met de nieuwbouw gestart, waarvan de uitvoering was toevertrouwd aan de “N.V. Vooruitzicht”. Einde 1979 waren de werken voltooid. Ondertussen had het gemeentebestuur einde 1978 aan het O.C.M.W. beheersopdracht gegeven voor wat de gelijkvloerse verdieping betreft en op 1 november 1980 betrok het O.C.M.W. de ruime en moderne kantoorruimten aldaar voor zijn sociale en administratieve diensten.

Nog twee namen blijven aan het verleden herinneren: de naam “Eglantier”, waarmee residentie en seniorie, en ’t Brugske, waarmee sedert 1 september 1980 het Kinderdagverblijf van het O.C.M.W. wordt aangeduid. Beide benamingen slaan als het ware de brug tussen oud en nieuw.

standbeeld eglantier eglantier_garage

Het beeld van de naakte zwangere vrouw die in de voortuin van het Sociaal Huis staat is van de hand van kunstenaar Bert Van Ransbeeck, zoon van poppenmaker Felix Van Ransbeeck. Hij groeide op in diezelfde Antwerpsesteenweg. Hij gaf het kunstwerk de naam Venus.


Lees hier de gedetailleerde geschiedenis van de Eglantier volgens Prof. Dr. R. Van Passen:
VAN «LES EGLANTIERS» tot RESIDENTIE EGLANTIER en O.C.M.W.

Bron: Contactblad Gemeente Kontich, jan. & apr. 1983

Aan de Antwerpse Steenweg 62 verheft zich sedert een paar jaren de «Residentie Eglantier», die op de benedenverdieping de kantoren en diensten van het O.C.M.W. herbergt. In deze bijdrage willen we pogen de voorgeschiedenis van dit moderne gebouw te schetsen. Het zal dan meteen een bijdrage worden tot de geschiedenis van een van de vrij talrijke villa’s, buitenverblijven of «hofkes», die Kontich in vorige maar ook nog in deze eeuw rijk was.

De toponymische kaart leert ons dat het perceel waarop de Eglantier zich bevindt, vanouds als het Kosterijland gekend was. Ook het bij de voortuin horende perceel ten zuiden van de Bautersemstraat (die tot 1930 Vilvoordeweg heette), droeg de naam Kosterijveldeke. De twee genoemde percelen die het buitenverblijf Eglantier gingen vormen, hoorden weleer toe aan het kasteel Altena. Kontichse kosters uit vroegere eeuwen hebben er zeker eenmaal inkomsten of cijnzen uit genoten, wat de naam Kosterij verklaart.

We maken nu een sprong in de tijd naar het jaar 1879. De Antwerpse Steenweg – waarvan de naam pas in de 1880-1890 in gebruik komt – beleefde toen zijn eerste bouwgolf‚ en op 3 juli van vermeld jaar werd er aan ons schepencollege een verzoek gericht om een woning met verdieping, stalling en remise te mogen oprichten op het als C467 gekadastreerde perceel. De aanvrager en grondeigenaar was ene Laurent de Wandelaer, gepensioneerd «officier van administratie» te Kontich. College en Bestendige Deputatie verleenden de gevraagde vergunning.

We kennen het ontwerp en zien op het hier afgedrukte plan dat het om een «blokvormige»‚ vierkantige woning ging met schuin toelopend dak en met op de benedenverdieping en op de etage telkens drie vensters; deze vensters waren van een sierlijke omlijsting voorzien en hadden onderaan een kleine balustrade. Een dergelijke balustrade zien we ook bovenaan de kroonlijst van het dak. De ingang bevond zich aan de zijkant van het gebouw. Het plan toont ons stal en remise aan het noordeinde van het terrein, vlak bij de steenweg. Het geheel was met een «grillie» of hek en met een poort afgesloten. En vermeldenswaard is zeker de «calorifère» – een soort van grote oven die op het plan staat afgebeeld en waarin we een eerste poging tot centrale verwarming kunnen zien. Hoelang de gepensioneerde officier dit huis in eigendom heeft gehad en of hij het ooit zelf betrokken heeft, kan niet uit de ons ter beschikking staande documenten worden opgemaakt.

Eglantier schets voorgevel

Eén zaak staat vast: in 1886 verschijnt er een nieuwe bewoner ten tonele, in de persoon van Georges-Antoon Van der Heyden. In juli van dat jaar nam hij zijn intrek in de hier beschreven villa, samen met zijn echtgenote Joanna-Henrica-Maria Bruls en twee te Antwerpen geboren kinderen, Magdalena-Maria en Martha-Maria. Georges Van der Heyden, geboren te Antwerpen in 1849, was toen 37, zijn vrouw, die te Bilstain (prov. Luik) geboren was in 1858, was zowat 9 jaar jonger dan hij. Op 18 augustus 1886 werd er te Kontich in het gezin Van der Heyden een dochtertje Germainia-Maria geboren.

Te oordelen naar een plan van het buitenverblijf n.a.v. de in 1898 door A. Verspreeuwen uit te voeren vergroting, zou Van der Heyden – op een ons niet bekende datum – het eigendom reeds met een belangrijke vleugel hebben uitgebreid. Deze bevond zich ten oosten van het primitieve gebouw, omvatte een iets groter venster op elke verdieping en een sierlijk dakkapsel in een soort torenkap. Die kap was met smeedwerk versierd. Zoals we verder zullen zien, zal Verspreeuwen aan de andere zijde een gelijkaardige uitbreiding verwezenlijken. Bij dat alles liet eigenaar Van der Heyden andere in het oog springende veranderingen aanbrengen buiten het gebouw. Zo zal hij in 1887 toestemming vragen en bekomen om door meester-metselaar Aug. Reyckx zijn eigendom langs de «Grote Baan van Brussel naar Breda», d.i. langs de Antwerpse Steenweg, met een muur of te sluiten. In 1888 schijnt de ommuring van het buitengoed te worden voortgezet, want aannemer E. Dupuis uit Antwerpen mag dan nogmaals omheiningsmuren metselen. En weer een jaar later, in augustus 1889, komt bij het College een aanvraag binnen waarbij G. Van der Heyden verzoekt om zijn tuin met het achter de Bautersemstraat gelegen hofperceel door een brugje te mogen verbinden. Er werd een onderzoek van commodo en incommodo ingesteld en de bezwaren die geopperd werden, waren onbelangrijk. Het brugje mocht er dus komen, maar er werd wel gestipuleerd dat de doorgang diende gevrijwaard te blijven; de weg moest een breedte van 1,75 m behouden en de brug diende 2,50 m hoog te zijn. G. Van der Heyden zou vanzelfsprekend voor het onderhoud van de brug moeten instaan.

Dat bruggetje, dat waarschijnlijk in 1889-90 gebouwd werd, zou een typisch uitzicht aan het rustige Bautersemstraatje geven en heel wat Kontichnaars zullen er nog wel herinneringen aan hebben bewaard: de kinderen gingen er naar de holklinkende echo van hun stem luisteren en voor de tieners was het daar een ideaal romantisch ontmoetingsplaatsje… Een tekening van het brugje wordt bewaard in een dossier op het Rijksarchief. En in 1980 zal opnieuw het verdwenen brugje en het aldus ontstane toponiem aangeknoopt worden door het dan opgerichte kinderdagverblijf «‘t Brugske» te noemen.

De laatste verandering of verfraaiing die G. Van der Heyden aanbracht aan zijn hof, dateert van einde 1889: hij liet toen immers, na hiertoe van het College vergunning te hebben verkregen, door aannemer Aug. Callens een ijzeren poort in zijn afsluitingsmuur aanbrengen. Die poort moest, zo beval het schepencollege, naar binnen opendraaien.

Veel meer is er niet geweten over het verblijf van de heer Van der Heyden in Kontich; wel moet hij een opvallende haarsnit hebben gehad, want rond 1900 zei de volksmond «hij draagt zijn ‘strepke’ rechts, gelijk meneer Van der Heyden».

Ter aanvulling kunnen we nog noteren dat, blijkens het adresboek, G. van der Heyden in 1894 op zijn eigendom een melkerij zou hebben geleid. De specialiteit van de firma bestond in room- en huishoudboter, artikelen die hij zowel in ‘t groot als in ‘t klein verkocht.

Op 10 mei 1899 liet de familie Van der Heyden zich op het gemeentehuis afschrijven en op 28 juni van dat jaar was haar verblijfplaats reeds Berchem. Het «Hofke Van der Heyden» zou weldra het «Hof van Verspreeuwen» worden, naar de volgende eigenaar-bewoner. Of het toen reeds de naam «Les Eglantiers» droeg – naam die later weerspiegeld werd in de roosachtige heesters of bottelrozen die oudere Kontichnaars er nog hebben weten groeien in de siertuin – kan niet bevestigd worden. Mogelijk zal die benaming ontstaan of gegeven zijn na de verbouwing die Verspreeuwen er zal uitvoeren.

Adolf Verspreeuwen, de nieuwe bewoner, werd nooit in de Kontichse bevolkingsboeken ingeschreven. Zijn stadswoning had hij aan de toenmalige Handelslei 211, de huidige Italiëlei, te Antwerpen. Hij was handelaar in Noord-Amerikaans hout maar verkocht ook wel inlandse houtsoorten alsook dwarsliggers voor de spoorwegen. Bovendien was hij procuratiehouder van de firma Hamman en zetelde hij als rechter in de handelsrechtbank.

Het archief van Sint-Ceciliaharmonie, maatschappij waarin Verspreeuwen een belangrijke rol ging spelen, licht ons over hem en zijn verblijf te Kontich omstandig in.

Een eerste maal verscheen A. Verspreeuwen op een repetitie van de harmonie, toen Peter Benoit als erevoorzitter daar op bezoek was; dat was op 4 juni 1899. Waarschijnlijk had Verspreeuwen zijn buitenverblijf dan al betrokken. Op 18 juli spreekt het archief van het eerste concerto dat er in de tuin van de villa gegeven werd. En de maand daarop was Verspreeuwen, die de grote mecenas was geworden van de harmonie en haar muziekschool – hij schonk jaarlijks de toen belangrijke som van 300 fr. – reeds voorzitter van de zgn. “Weldadigheidsafdeling”.

Op het Ceciliafeest van de harmonie in november 1899, wordt bevestigd dat de muziekvereniging dank zij de financiële steun van Verspreeuwen kan blijven bestaan.

Zoals we al schreven, is er in ons gemeentearchief een dossier bewaard, waarin zich documenten, d.i. bouwaanvraag en plan bevinden, om het hoofdgebouw te mogen vergroten met een nieuwe vleugel, en om bovendien achterin een hovenierswoning te mogen optrekken. J.C. Franck‚ de bekende Kontichse aannemer van bouwwerken, zou voor de uitvoering zorgen. De verbouwing resp. vergroting van het hof werd reeds aangevraagd in naam van Verspreeuwen op 4 december 1898, de bouw van het hoveniershuis op 22 april 1899. We hebben de indruk dat die vergroting en bouwwerken tijdens de laatste maanden van het verblijf van Van der Heyden zijn te situeren; vermoedelijk had Verspreeuwen het goed toen al aangekocht.

Terug naar St.-Cecilia. Op 29 mei 1900 werd het bestuur van de harmonie op het hof van Verspreeuwen op champagne vergast en zorgde de muziekmaatschappij voor een serenade: de bewoner van “Les Eglantiers” was toen namelijk tot liberaal senator verkozen. Voortaan komt de naam Verspreeuwen geregeld in de harmoniekroniek voor, en na de dood van erevoorzitter Benoit in 1901 aanvaardde de senator het erevoorzitterschap van de St.Cecilia. Samen met andere verenigingen uit Antwerpen, waarvan hij ook erevoorzitter was, nodigde de bewoner van “Les Eglantiers” de harmonie en haar bestuur in die jaren herhaaldelijk op zijn hof en in de prachtige tuinen uit. Er werd gemusiceerd, gedronken en getoost, en muziekbestuurder Clymans bood zelfs een mars “Lentegroet” aan de milde Eglantierbewoner aan. In september 1902 zorgde Verspreeuwen ervoor dat de Burgerwacht of Garde Civique‚ waarvan zijn zoon, Adolf Verspreeuwen jr. “aide de camo” of adjudant was, een uitstap naar Kontich ondernam en daar op passende wijze, gastvrij en muzikaal onthaald werd. ln de komende paar jaren waren de serenades op het prachtige buitengoed schering en inslag, o.m. in mei toen Verspreeuwen tot officier in de Leopoldsorde benoemd was. Voor de St.-Cecilia en ook voor het buitenverblijf was het een zware slag toen op 5 oktober 1908 Ad. Verspreeuwen na een langdurige hartziekte overleed. Op de haast Koninklijke begrafenis te Antwerpen was Kontich sterk vertegenwoordigd, o.m. door de rouwende muziekvereniging, geleid door vrederechter Bouwens. Aan de noodlijdenden van Kontich werd toen een bedrag van 1000 fr. uitgedeeld. Het moet nadien veel stiller geworden zijn op en rond de villa Les Eglantiers. De weduwe en erfgenamen Verspreeuwen bleven er hoogstwaarschijnlijk eigenaar van tot 1919. Of ze er nog vaak verbleven in die periode van en rond de 1ste wereldoorlog, weten we niet; de telling van 1919-1920 vermeldt in elk geval geen bewoners op het goed. Verondersteld mag worden dat het eigendom in 1914-18 soldaten van diverse pluimage zal geherbergd hebben.

Op 18 augustus en 1 september 1919 kwam “Villa Les Eglantiers” in de notariszaal te Antwerpen in publieke veiling, door het ambt van notarissen E. Lefebre en J. Mertens. Uit de beschrijving vernemen we dat het goed toen 1 ha 65 a 61 ca mat, en bestond uit villagebouw, garage, stal, remise, huizen van huisbewaarder en hovenier. serres, lust- en moestuinen, schietbaan, tennis en bouwgronden, die in 12 kopen werden gelegd. Erenotaris Jan-Fr.-Xav. Verbeeck kocht het kasteel met hovingen in. Een plan dat toen werd getekend, toont ons het kasteel, de twee tuinen met hun romantische aanleg van wegen, parkjes en bomen, en achter in de moestuin een vijver. Het brugje is er duidelijk zichtbaar. Van 1920 tot 1923 huurde ene A. Oeyen, agent in hout, met zijn familie het buitengoed. Van 1923 af tot 1931 staat er alleen een portiersfamilie, bestaande uit de gezusters Brans, als bewoonster opgetekend. En tussen 1931 en 1933 exploiteerde ene J.H. Kersten, een Tongeraar‚ die uit Luik was ingeweken, een restaurant met dancing in de Eglantier. Weer klonk er dus muziek, als in de jaren van A. Verspreeuwen. We mogen aannemen dat erenotaris Verbeeck aanvankelijk nog steeds de eigenaar-verhuurder was.

Eglantier voorgevel vergroting
Plan van de vergroting, voorzijde

Op 3 juli 1931 verkocht Verbeeck het eigendom aan zekere juffrouw Ida-Coralìa-Allne Boussé, handelaarster te Antwerpen. Niet lang daarna echter, op 30 april 1933, werd de Eglantier wegens schuldvordering in beslag genomen en andermaal verkocht. De verwervers waren de “Parochiale Werken der Kontich”, die het eigendom aankochten voor de toen nog “feitelijke” vereniging van de Gasthuiszusters-Augustìnessen van Boom.

Nog in 1933 zien we de eerste ouden van dagen hun intrek nemen in het pand Eglantìer, dat voortaan “Rustoord Sint-Anna” zal heten, en door de genoemde Gasthuiszusters als home zal worden beheerd. De zusters bleven aanvankelijk te Boom gedomicilieerd, en pas in 1942 zien we de eerste religieuze in ons bevolkingsregister verschijnen. ln 1948 werd zuster Catharina de Wachter als overste van Boom naar Kontich overgeschreven.

Ondertussen is de feitelijke vereniging van de Gasthuiszusters van Boom op 30 mei 1945 voor notaris K. Tobback te Boom als V.Z.W. gesticht, wat haar in staat stelt om van de “Parochiale Werken” het rusthuis over te nemen. Die zgn. “schenking”, zoals de akte het noemt, was in feite een aankoop en gebeurde op 7 augustus 1945, voor dezelfde notaris Tobback.

Een paar tientallen jaren zullen de zusters het gebouw als ouderlingentehuis leiden, tot het beheer en de uitbouw van hun ziekenhuis te Reet hun werk te Kontich te zwaar maakt. Op 24 april 1973 koopt het gemeentebestuur van Kontich van de Gasthuiszusters het gebouw met aanhorigheden en siertuin, groot 8.129 m², voor een bedrag van 9 miljoen “met het oog op het inrichten van een medicosociaal centrum” van de gemeente. Weer gaat het eigendom “Eglantier” een nieuwe, andere toekomst tegemoet.

Aanvankelijk bracht het bestuur in het gebouw de stempelcontrole, een jeugdatelier enz. onder. In 1976 werd er tussen de Gemeente en de Bouwpromotor “N.V. Eglantier” een akkoord ondertekend, waarbij de eerstgenoemde het recht van opstal afstond voor het bouwen van een “seniorie”. De bouwpromotor stond daarbij de gelijkvloerse verdieping aan de Gemeente af. De afbraak van de oude gebouwen greep plaats in 1976 en nog in datzelfde jaar werd met de nieuwbouw gestart, waarvan de uitvoering was toevertrouwd aan de “N.V. Vooruitzicht”. Einde 1979 waren de werken voltooid. Ondertussen had het gemeentebestuur einde 1978 aan het O.C.M.W. beheersopdracht gegeven voor wat de gelijkvloerse verdieping betreft en op 1 november 1980 betrok het O.C.M.W. de ruime en moderne kantoorruimten aldaar voor zijn sociale en administratieve diensten.

Nog twee namen blijven aan het verleden herinneren: de naam “Eglantier”, waarmee residentie en seniorie, en ’t Brugske, waarmee sedert 1 september 1980 het Kinderdagverblijf van het O.C.M.W. wordt aangeduid. Beide benamingen slaan als het ware de brug tussen oud en nieuw.

2 Reacties op “Eglantier

  1. Uit een foto in mijn bezit, blijkt dat op 19 juli 1899 hier ‘la fête du Waterzooi’ werd georganiseerd. Het is een select gezelschap – duidelijk van de hogere burgerij – die hier verzameld was. Op diezelfde datum zou er ook een concertuitvoering hebben plaats gehad. Op de foto vinden we Peter Benoit niet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s